Desanne van Brederode 2011 Discover us Troostmonument
Desanne van Brederode 2011 Discover us
Voorwoord bij Van een blauwe zakdoek krijg je geen schrale neus.
Het Troostmonument van Stef Kreymborg
De zakdoek als bladzijde uit een zomerdagboek. Een ingedroogde aardbeienijsvlek op de kop van Winnie de Poeh, roestbruine bloedsporen van een opengekrabde muggenbult, ergens in de witkatoenen lucht boven Jip en Janneke die, na een wasbeurt of acht, tot vale schaduwen waren vervaagd.
Ofschoon herfst en winter doorgaans gelden als kwakkelseizoenen, lijkt de stoffen zakdoek toch veel meer lange zondoorstoofde vakanties te horen.
Zwaarmoedigheid en donkerte passen het ragfijne, sleetse, zachte lapje niet; zelfs bij begrafenissen behouden zakdoeken iets wat op dansdrift lijkt, of wapperzin.
Na een bezoek aan Stefs atelier en haar Troostmonument dacht ik meteen aan de cover van het beroemde album Born in the USA van Bruce Springsteen uit 1984, waarop de zanger ons zijn stoere werkmansachterkant toont; een deel van zijn in wit shirt gehulde rug, twee gespierde onderarmen en de vierkanten billen en bovenbenen in een veelgedragen jeans.
Mijn liefde voor de foto had te maken met de knalrode boerenzakdoek die uit de rechterkontzak bungelt, als een brutale, bijna anarchistische protestvlag.
Muziek die van je hart een vuist maakt, zoals een dierbare vriend dat zo treffend noemde.
En de zakdoek was dan een symbool voor datzelfde hart als het zich weer ontbalde, en haar dromen als tere witte duiven de lucht ingooide. Dacht ik. De ultieme goocheltruc.
Thuisgekomen zette ik de cd op, deinde mee en bekeek tegelijk de hoesfoto nog eens aandachtig. Geen zakdoek te bekennen. Weggevlogen. Samen met de vogels, opgewaaid als een zomerjurk, als een meisjesrokje op rokjesdag, als de kleine parachute die kalende vaders van hun zakdoek maken (in alle vier de hoeken een knoopje) om hun gevoelige kruin tegen UV stralen te beschermen. Als acaciabloesems, als bruidsluiers na de kus, als de rode lap na de aanval van een stierdie het valse spelletje niet meer pikt, als een zweetdoek met een afdruk die te heilig is voor onze ogen, als een flardje van een lijkwade.
Bizar maar waar: op mijn vertrouwde CD-hoes heeft de zanger tegenwoordig een rode baseballpet in zijn achterzak. Sinds wanneer? Sinds nu? Sinds Stef andermans zakdoeken is gaan verzamelen?
In het Troostmonument onthouden de zakdoeken van alles. Precies genoeg. Hun knopen werden hoofdjes, gezichtsloze gezichten. Hun handjes, nee, vuistjes zijn gemaakt door in de zakdoekpunten rechts en links van de hoofdknoop kleinere knoopjes te leggen.
Hoe vierkante lapjes zomaar in mensachtige wezentjes kunnen veranderen. In voetloze engelen, gevleugelde ballerina’s, bezielde dotjes poetskatoen, geurend naar wasmiddel, strijkbout en jeugdherinneringen. Gevonden en met elkaar verbonden voorwerpen, kleurig als rozen, libellenvleugels, soms versierd met geborduurde snoepgoedinitialen, zijdeglans. Verwijzend naar namen die nog maar zelden worden uitgesproken.
Een beweeglijke hemelzee van vrije, bevrijde zakdoeken. Dwarrelend op een onzichtbare bries, zwevend als betekenisvolle spaties en witregels in de allerinnigste liefdesbrief, klaar om gelezen en herlezen te worden, van de lage C naar de hoge en weer terug. De verlossing van de magische octaaf.
Zakdoeken die je uitwuiven aan de kade, en die je wellicht, na omzwervingen van jaren, tegemoet wuiven vanaf het perron. Steeds weer die trein die vaart mindert en tenslotte stilstaat tussen de wapperende roomwitte, koolwitte, sneeuwwitte, blauwwitte, grauwwitte, wolwitte, wolkwitte, roodwitte, bont-omzoomd-witte, witgeruite, stuivende, schuimende magnoliavaantjes: welkom in de wereld, er is op je gewacht.
‘O, sla de rots, opdat ik ween’ dichtte Vasalis.
Maar wat als iedereen is leeggeweend? Als de rots is opgelost in de beek? Als alle stomende, bloedhete hardrock terugstroomt in de verkwikkend stille dauw van Bach?
Als de pijn is verdampt, het ijs gesmolten, als er na het uithuilen weer ruimte is voor een nieuwe lente, een nieuw begin? Dan kunnen de zakdoeken eindelijk een eigen leven gaan leiden. Zich tonen zoals ze werkelijk zijn. Of willen worden, later. Als zij en wij hunhun nut en functie vergeten hebben.
‘Heb je wel schone zakdoeken bij je?’ Ja mam. En ik zal ze goed schoon en drooghouden. Zodat je me er meteen aan kunt herkennen. Straks.
Niet alleen loslaten, ook elkaar terugvinden is een hele kunst:
Dit is de zwerm, En ergens daar ben ik. Ben jij.
Ditmaal niet de bekende broekzak, maar de verrassend zachte binnenkant ervan.
De vorm die inhoud wordt en omgekeerd. De feniks uit de as.
De steen die onvast opspringt – vrij van zwaartekracht.