Zolang ik me kan herinneren ben ik gefascineerd door verzamelingen.
Als kind al formeerde ik graag groepen, reeksen en stapelingen met alles wat voorhanden was; schelpen, lepels, veertjes, potloden, stukjes papier, of knopen.
Dat wonderlijk samengaan van regelmaat en oneindige variatie, zoals in de natuur voorkomt, is nog steeds een onuitputtelijke inspiratiebron in mijn werk.
Sinds lang fotografeer ik ook regelmatige onregelmatigheden.
Ik zoek naar beelden waarin de wetmatigheden van de natuur een relatie hebben met de toegepaste ordening in de cultuur.
Feico Hoekstra, schrijver over kunst en tentoonstellingsmaker
‘Verzamelen en ordenen doet Stef Kreymborg zolang ze zich kan herinneren. “Eenheid in verscheidenheid”, zo vat ze haar fascinatie samen. “Dat is wat ik zo geweldig vind aan de natuur. Het samengaan van herhaling en structuur aan de ene kant en oneindige vrijheid en variatie aan de andere kant. Ik zou willen dat het in de maatschappij ook op die manier ging. Er is tegenwoordig gelukkig veel aandacht voor diversiteit, maar veel mensen zien er een bedreiging in. Die willen kennelijk liever dat alles zoveel mogelijk hetzelfde is. Voor mij is het alleen maar rijkdom. Ik denk dat ik in mijn werk laat zien dat je dingen die op het eerste gezicht niks met elkaar te maken hebben toch met elkaar kunt verbinden om er iets moois van te maken.”
Karin van Lieverloo, kunsthistoricus, tentoonstellingsmaker en auteur
‘Het zijn niet specifieke materialen, kleuren, vormen en formaten die Stefs handschrift definiëren; dat is juist haar streven te komen tot het hart van het materiaal. De verbinding tussen al haar kunstuitingen ligt juist in die zoektocht naar het wezenlijke, waarbij de materie de vorm dicteert.’ ‘Ze merkt schoonheid op in het onverwachte, in dat wat ieder ander over het hoofd ziet of voor vanzelfsprekend aanneemt. Ze onderscheidt zich in haar vermogen om in het kleine het grootse en in het gewone het ongewone waar te nemen.’
Adelheid Smit, kunsthisoricus en conservator TextielMuseum Tilburg
‘Kreymborgs eerste papier reliëfs waren net als Jan Schoonhovens werk monochroom wit; de ‘voorstelling’ ontstond slechts door de verschillende lichtval op de diverse hoogtes van de vlakken. Schoonhovens preciese herhaling van vormen en lijnen, nagenoeg hetzelfde maar toch handwerk met steeds unieke afwijkingen, resoneert door in Kreymborgs levenslange toewijding aan het unieke binnen het grotere, ogenschijnlijk zich herhalende geheel.’